Politics

Sarkozy

February 8, 2013

by Cees van der Meyden

360px-Sarkozy.jpgNiet meer geld, maar een andere benadering, stelde Sarkozy onlangs in het Elysée tegen enkele honderden inwoners uit de banlieues als oplossing voor in de problematiek van de Franse voorsteden. Met een ‘genadeloze oorlog’ tegen de drugshandelaren en ‘het einde van de bijstandscultuur’ wilde de Franse president de achterstanden bestrijden, aldus NRC-Handelsblad. Dat voornemen past in de eerder dit jaar geformuleerde beschavingspolitiek, waarin “mensen centraal staan in plaats van gebouwen”. De Franse president beloofde maatregelen die werk en opleiding garanderen en discriminatie tegengaan.

De eerste keer dat Sarkozy – toen minister van binnenlandse zaken – in aanraking kwam met de problematiek van de voorsteden was in het najaar van 2005. Met zijn optreden oogstte hij bewondering. In zijn Getuigenis (2006) schrijft hij: “Bij onze aankomst in Argenteuil werden we, niet geheel toevallig, opgewacht door een woedende menigte van een man of tweehonderd, die ons niet alleen de grofste beledigingen, maar ook alles wat ze in hun handen konden krijgen naar het hoofd slingerde. De spanning was tastbaar. De veiligheidstroepen stonden op scherp. Toch besloot ik de laatste vierhonderd meter te voet af te leggen.”

Er was ook kritiek. Links en rechts vonden dat Sarkozy zijn ministeriële waardigheid schond door te spreken over ‘tuig’. “Toen ik het woord ‘tuig’ in de mond nam, had ik niet het gevoel oneerlijk, hypocriet of vulgair te zijn”, zo reageerde Sarkozy. Voor hem bestaat er geen verschil tussen het vocabulaire van de elite en dat van het volk.
De crisis in de Franse voorsteden was voor Sarkozy de aanleiding om zijn boek te schrijven. “Nooit waren reacties en commentaren op een reeks evenementen kenmerkender voor het disfunctioneren van onze democratie”, schrijft Sarkozy. Zoals te doen gebruikelijk in Frankrijk was ook nu weer iedereen verantwoordelijk, “en niemand schuldig, zodat niemand rekenschap voor zijn tekortkomingen hoefde af te leggen.” Als een beleidsmaatregel niet het gewenste resultaat opleverde werd het oude adagium – het heeft niet gewerkt, dus is er niet genoeg geld in gepompt – van stal gehaald. Sinds het begin van de jaren tachtig is er voor miljarden aan de voorsteden uitgegeven zonder dat er iets veranderde. De onlusten in het najaar van 2005 sterkten Sarkozy in zijn mening dat de tijd was gekomen om schoon schip te maken met een politiek die de Franse maatschappij al decennia verlamt.

Sarkozy sprak voor het eerst van een breuk tijdens de zomerbijeenkomst van de UMP in september 2005. Hij gebruikte rupture en niet ‘verandering’ of ‘frisse wind’. Deze uitdrukkingen hebben immers aan kracht ingeboet omdat ze al meer dan tien jaar bij links en rechts in gebruik waren. Ook het woord ‘hervorming’ is volgens Sarkozy te zwak: “‘Hervorming’ is een lege doos gebleken, aangezien hervormingen in Frankrijk na verloop van tijd worden verwaarloosd”.
Zijn stijl van politiek sprak veel Fransen aan en genereerde nieuwe belangstelling. De opkomst bij de presidentsverkeizingen was hoog, ruim drieëntachtig procent van de kiesgerechtigden ging stemmen. “De overweldigende overwinning van Sarkozy duidt op een lang sluimerend verlangen om te breken met oude gewoonten”, verklaarde Le Figaro. Sarkozy won niet alleen vanwege zijn stijl maar ook op inhoud. Zijn boodschap overtuigde de Franse kiezer meer dan het ‘niet voldragen project’ van Ségolène Royal. Fransen kozen deze keer voor kwaliteit, aldus Le Figaro. Ook met een andere oude veronderstelling – Fransen denken rechts en stemmen links – werd afgerekend: “Vandaag hebben de Fransen gekozen in overeenstemming met hun natuurlijke voorkeur”, verklaarde de krant triomfantelijk.

Wat is er met het presidentschap in Frankrijk aan de hand? Een antwoord staat in La Tragedie du President, het in 2006 verschenen boek van de Franse journalist Franz-Olivier Giesbert. Giesbert beschrijft hoe Chirac langzaam maar zeker elk vertrouwen in de kans op hervormingen verloor. Chirac was volgens Giesbert de “incarnatie van de Franse tragedie” geworden, de “bewaker van het Franse sociale kerkhof”. Giesbert constateert dat Chirac zichzelf er ten slotte van overtuigde dat Frankrijk geen enkele grote hervorming zou kunnen verdragen. Chiracs woorden bij de herdenking van de veertiende juli onderstreepten dat: “Het Franse maatschappelijke bestel is niet inefficiënt en niet achterhaald.”
Deze houding van Chirac stond in schril contrast met de sociale bevlogenheid van de president van de eerste jaren. Zijn campagne voor de verkiezingen van 1995 draaide om de ‘fracture sociale‘, en richtte zich op de enorme werkeloosheid. In die tijd bedroeg het percentage werkeloze jongeren onder de vijfentwintig jaar tweeëntwintig procent. Van de ongeschoolde jongeren en van de jongeren uit de Zones urbaine sensible was bijna veertig procent werkeloos. Sarkozy schrijft over de uitkomst van Chirac’s ‘fracture sociale‘: “De resultaten zijn bekend, Chirac kreeg zijn tweede termijn. De diagnose was juist. Maar of de voorgestelde behandeling voldoende was om de ziekte te genezen, valt te betwijfelen”. Is er dan niets veranderd sinds 1995?

Marc Chavannes – meer dan zes jaar correspondent voor NRC Handelsblad in Parijs – schrijft in Frankrijk achter de schermen (2000) over de stille revolutie van een trotse natie. Hij interviewde diverse mensen, zoals Felix Rohatyn, sinds 1997 de ambassadeur voor de Verenigde Staten in Parijs, de stad waar hij met zijn Poolse ouders gedurende de jaren dertig woonde. De vloeiend Frans sprekende Amerikaan had door zijn eerdere werk als bankier bij Lazard Frères in New York de economische en maatschappelijke veranderingen in Frankrijk van nabij gevolgd. Op de vraag van Chavannes of Frankrijk blijvend veranderd was, knikte Rohatyn instemmend. Vooral de rol van de staat was in zijn ogen afgenomen. Bijna alle belangrijke bedrijven en banken waren na de oorlog in staatshanden. Lonen en prijzen, de waarde van de munt, de invoer en uitvoer van geld, alles werd gecontroleerd door de staat. Maar de meeste vlaggenschepen waren inmiddels geprivatiseerd, aldus Rohatyn, zoals Air France en France Télécom, maar ook bedrijven waarvan je het niet direct verwacht, zoals de defensie-industrie.
Veel van deze bedrijven zijn na gehele of gedeeltelijke privatisering gefuseerd met andere, vaak niet-Franse bedrijven. In meer dan tien jaar tijd hebben achthonderd en vijftig buitenlandse bedrijven een Franse eigenaar gekregen. Dat steekt schril af tegen het aantal Franse bedrijven dat in buitenlandse handen is gekomen, namelijk negenduizend. Per saldo gaat er twee keer zoveel Frans kapitaal het land uit als dat er buitenlands kapitaal binnenkomt en dat buitenlandse kapitaal wordt dan ook nog gebruikt om Franse bedrijven op te kopen en ze vervolgens naar het buitenland te verhuizen. Volgens Sarkozy teert Frankrijk steeds verder in op zijn vermogen. In 2005 bereikte het handelstekort het historische dieptepunt van ruim zesentwintig miljard euro, ruim drie keer zoveel als in 2004.
De staat vervulde een centrale rol bij het stimuleren van de economie tijdens de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw. De overgang van deze succesperiode, Les Trentes Glorieuses , naar een markteconomie heeft echter niet gebracht wat men ervan verwachtte. Het proces van afnemende groei, dat de Franse economie al decennia kenmerkt, is niet tot stilstand gekomen. Ook presteert Frankrijk de laatste jaren slechter dan de rest van de wereld. In 2005 groeide de wereldeconomie met vier procent en de Franse economie met slechts iets meer dan anderhalf.
De Fransen zijn gedemotiveerd en voelen geen uitdaging meer om initiatieven te ontplooien; het sociale vangnet houdt hen vast. Het Franse sociale model is inefficiënt en moet worden hervormd. Steeds meer Fransen delen die opvatting, alleen over de aanpak wordt zeer verschillend gedacht. De oplossing die de sociologen Alain Lefebvre en Dominique Méda in hun boek Faut-il brûler le modèle social Français? aandragen is wel erg conventioneel. Volgens Lefebvre en Méda moet het Franse model worden aangepast naar het voorbeeld van de Scandinavische landen, waar sociale bescherming en een flexibele arbeidsmarkt aan elkaar gekoppeld zijn.
Volgens Sarkozy zou Frankrijk het beste van het Angelsaksische model moeten combineren met het sociale van het Scandinavische model. Tot dusver had men de nadelen van beide stelsels, in plaats van de voordelen. Het probleem is dat de Franse staat wel de middelen verschaft om te overleven, maar niet om op eigen benen te staan. Dat moet ophouden. Volgens Sarkozy, moet worden getoond dat werken weer loont. Want als “iemand die werkt geen beter leven heeft dan iemand die niet werkt, waarom zou je dan ‘s morgens vroeg nog je bed uit komen?”

De Franse arbeidsmarkt is nog te star. Wie vast werk heeft wordt zo zeer beschermd dat werkgevers wel uitkijken met nieuwkomers. Bij de stakingen van maart 2006 tegen de invoering van het gewraakte jeugdbanenplan – het CPE – interviewde René Moerland van NRC-Handelsblad vier jonge Fransen. Zij behoren tot de generatie die aan het einde van het tijdperk Chirac het gevoel had met legen handen te staan, zoals Olivier Charenton, zevenendertig. Hij werkte bij een Amerikaans bedrijf en is nu al anderhalf jaar werkloos, omdat zijn afdeling werd opgeheven ‘om de aandeelhouders tevreden te stellen’. Charenton bezit een universitair diploma internationale handel, spreekt vloeiend Engels en Duits en heeft ook in de Verenigde Staten gewoond. Hij is nu te oud om weer aan de slag te kunnen.
De ervaring van Sylvain Aiguesparses, tweeëndertig, wijst op een ander aspect van de starheid van de Franse arbeidsmarkt. Aiguesparses gaf zijn baan op om te gaan studeren aan het deftige Celsa, school voor communicatie en journalistiek, onderdeel van de Sorbonne. Toen hij na het succesvol beëindigen van zijn studie weer bij zijn vorige werkgever aanklopte kreeg hij te horen dat hij de boot gemist had. Nu heeft hij voor een half jaar een baan als vervanger van een directeur met zwangerschapsverlof. Er is geen uitzicht op een verlenging van zijn tijdelijke contract. “Zorg dat je tijdig ‘binnen’ bent”, is zijn advies. Hij voegt er aan toe dat je niet op zoek moet gaan naar ander werk als je een nieuwe uitdaging wilt.
De hervormingen van Chirac waren volgens Sarkozy gedoemd te mislukken. Niet alleen door de werkwijze van de regering – zij won nauwelijks advies in bij de sociale partners en het parlement – maar ook door het immobilisme van de Franse maatschappij. De regering dacht zonder het parlement hervormingen te kunnen doorvoeren; artikel 49-3 van de grondwet van de Vijfde Republiek maakt het mogelijk dat zij zonder het parlement te raadplegen een wet kan doorvoeren. Het gevecht vond niet in het parlement plaats maar op straat, op de universiteiten en in een later stadium ook in de bedrijven.
Sarkozy wil het te pas en te onpas gebruikte artikel 49-3 schrappen. Hij wil de communicatie tussen regering en parlement stimuleren, en een grotere invloed van de oppositie door deze bepaalde sleutelposities te geven in de senaat en het parlement, zoals in andere Westerse democratieën. Frankrijk heeft altijd moeite gehad om het evenwicht tussen de verschillende machten te bewaren. Nu eens krijgt het parlement te veel macht, dan weer de regering. Het land streeft minder vurig dan Groot-Brittannië naar zoveel mogelijk vrijheid en onafhankelijkheid voor zijn burgers. Sarkozy: “De Britten verwachten van een wet dat die zoveel mogelijk vrijheden garandeert. De Fransen verwachten van een wet dat die maatschappelijke problemen oplost.”

De overheid is al tien jaar niet bij machte om veranderingen door te voeren, steeds weer week zij voor de vakbonden, die tegen elke versoepeling van het ontslagrecht zijn. Ze verwijten Europa dat het het Franse sociale statuut onderuit probeert te halen. Typisch Frans om de schuld buiten zichzelf te zoeken, aldus Sarkozy. Hij bestrijdt ook de mening van veel Fransen dat de slechte gang van zaken in hun land te wijten is aan de globalisering van de economie.
Niet de globalisering is de oorzaak, aldus Sarkozy, maar de inflexibiliteit van de Franse arbeidsmarkt en het achterlopen van het onderwijs – in de academische ranglijst van internationale universiteiten van de Sjanghai Jiao Tong University, komt de eerste Franse universiteit pas op de zesenveertigste plaats. “Jarenlang hebben we ons Fransen voorgehouden dat als er niets kan worden ondernomen”, aldus Sarkozy, ” en als er niets kan worden veranderd, dat te wijten is aan Europa.” De verlammende invloed van de globalisering vindt hij overdreven, immers meer dan zestig procent van de Franse banen ondergaat niet eens de invloed van globalisering.
Volgens Sarkozy dateren de sociale en economische problemen van Frankrijk van voor het begin van de globalisering, de situatie verslechtert al sinds 1981. In dat jaar koos Frankrijk voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een socialist tot president: François Mitterrand. Bij de parlementsverkiezingen van 21 juni behaalden de socialisten toen samen met de links-liberalen de absolute meerderheid. Premier Pierre Mauroy nam vier communistische ministers op in zijn kabinet.

De hervormingsplannen van de commissie-Attali – een groep van veertig economen en andere deskundigen – vormen een blauwdruk voor een economische politiek om Frankrijk weer tot ‘een kampioen van de groei’ maken. In het lijvige rapport dat onlangs aan Sarkozy werd aangeboden geven meer dan driehonderd plannen aan hoe de Franse economie concurrerender en minder bureaucratisch kan worden. Sarkozy liet in zijn eerste reactie op de voorstellen van de commissie in het midden hoeveel hoop Attali mag hebben. Hij is het eens met de essentie van de voorstellen, maar noemde alleen hervormingen die al in gang zijn gezet.
De president wil geld vrijmaken door het afslanken van de overheid en door het overheidsapparaat flexibeler te laten opereren. Met deze lastenverlichting voor alle burgers hoopt hij de economie te stimuleren. De verwachting van de commissie is dat de voorstellen, mits de samenhang niet teniet wordt gedaan,’zeer spectaculaire resultaten’ zullen opleveren. Attali belooft bijvoorbeeld een procent extra groei in 2012, een forse afname van de jeugdwerkloosheid en een staatsschuld die lager is dan de Europese norm.
De dag na publicatie van de plannen van de commissie-Attali staakten de bonden tegen de afslanking van de publieke sector. De minister van financiën, Eric Woerth, heeft de bonden uitgenodigd om te komen praten. Zou nu wel lukken wat onder Chirac niet kon? De Fransen zijn flexibel als het erop aankomt, aldus de Franse econoom Francois Rachline: “Fransen zijn formidabel als ze geen keus hebben. Het is voor hen een obsessie om geen achterstand op te lopen.” Naar de overtuiging van Sarkozy zal dat zonder een vorm van zelfreflectie, niet de sterkste eigenschap van veel Fransen, niet lukken. Hij dringt aan op “een soort update van onze waarden, die niet altijd zijn waar wij ze voor houden.”

Zal Sarkozy slagen waar zijn voorgangers faalden? De eerste confrontatie van Sarkozy met de vakbonden vond plaats op 22 november van vorig jaar. Volgens NRC-Handelsblad heeft Sarkozy die confrontatie glansrijk doorstaan. “De eerste slag is voor Sarkozy”, kopte het blad. “Met zijn inhoudelijke doortastendheid en persoonlijke terughoudendheid heeft Sarkozy de onvermijdelijke modernisering van Frankrijk een dienst bewezen.” De krant voegde daaraan toe dat deze voorlopige overwinning mede te danken is aan de wijze van opereren van de Franse president: hij liet zijn regering de kastanjes uit het vuur halen.
Hoewel Sarkozy een groot bewonderaar is van Margaret Thatcher is hij (nog) niet van plan de aanpak te volgen waarmee zij medio jaren tachtig de militante vakbondstraditie in Groot-Brittannië kraakte. “Een al te gestaalde confrontatie zou juist contraproductief kunnen uitpakken”, aldus NRC-Handelsblad. Sarkozy moet erop letten dat de plannen niet als liberaal gepresenteerd worden, want liberaal is nog altijd geen geliefd woord in Frankrijk. Liever spreekt Sarkozy daarom van ‘protectie tegen de globalisering’ in Europese context.

Op internationaal vlak werkt Sarkozy aan het herstel van de machtspositie van zijn land, schrijft de voormalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer. In Die Zeit schreef hij over Sarkozy’s rol op de NAVO-top in Boekarest: “Als je de excentrieke stijl en de schoten uit de heup van de Franse president even vergeet – wat niet makkelijk is – dan laat de buitenlandse politiek van Frankrijk sinds enkele weken een verbazingwekkende vasthoudendheid zien.”
Fischer geeft Sarkozy een goede kans om op Europees vlak een doorbraak te bereiken in het moeizame proces dat moet leiden tot een gezamenlijk Europees buitenlands- en veiligheidsbeleid, aldus NRC Handelsblad. Volgens Sarkozy moet Frankrijk weer volwaardig lid worden van de NAVO. “Maar zijn de Fransen al zo ver dat ze de lang gekoesterde ‘exception française’ willen opgeven – meer dan veertig jaar nadat generaal de Gaulle de geïntegreerde commandostructuur van de NAVO verliet?”, vroeg NRC Handelsblad zich met enig recht af.
De Franse regering overleefde de stemming over een motie van wantrouwen van de socialisten ruimschoots. Zelfs de Gaullisten legden zich er bij neer dat hun president hard op weg is een centraal geloofsartikel uit de gaullistische leer te schrappen. “Het erfgoed van de generaal, dat is de ironie van de geschiedenis, moet nu worden bewaakt door de socialisten”, constateerde Juurd Eijsvoogel in NRC Handelsblad. Volgens de redacteur beschouwt de huidige minister van Buitenlandse Zaken Bernard Kouchner zijn voormalige partijgenoten als mensen die gedreven worden door nostalgie, het zijn ‘mensen die niet begrepen hebben dat de wereld veranderd is’.
Breken met het verleden levert hem in het buitenland meer sympathie op dan in eigen land. Bij laatste gemeenteraadsverkiezingen werd Sarkozy afgerekend op de resultaten van de eerste maanden van zijn presidentschap. Toen zijn liefdesperikelen te duidelijk geëtaleerd werden ging het met zijn populariteit snel bergafwaarts. De electorale afstraffing had iets weg van een publieke veroordeling door het Franse publiek voor de on-Franse wijze van optreden van hun president.
Is Sarkozy in staat om het vertrouwen van de Fransen terug te winnen zonder zijn hervormingen die hij voor ogen heeft terug te draaien? De tijd zal leren wat sterker is, gezond verstand of nostalgie naar het roemrijke verleden van een land dat meer veranderd is dan het zelf wil weten.